Het opgevangen regenwater wordt d.m.v. een regenwaterpomp aangezogen wanneer een kraan wordt opengezet. Zolang de kraan open staat blijft de pomp regenwater toevoeren. Als op een gegeven moment het niveau van het regenwater te laag staat, dan wordt dit gedetecteerd door een vlotter in de put. Deze vlotter laat een klep verdraaien waardoor de aanzuig niet meer gebeurt via de regenwaterput maar via een reservoir dat steeds bijgevuld wordt met leidingswater. Van zodra het terug regent en het niveau in de put voldoende hoog is schakelt het systeem terug om. Zo gaat een minimum aan leidingwater verloren en kunnen de aangesloten toestellen en de pomp zelf naar behoren blijven werken.